Klaagliederen 3:1-33

Tekst     : Klaagliederen 3:1-33
Thema   : Toch geef ik de moed niet op…


Historische achtergrond

In het jaar 586 voor Chr. wordt Jeruzalem ingenomen door de legers van Babel, na een belegering van 1,5 jaar. Tijdens dat beleg en de verovering van Jeruzalem spelen zich afschuwelijke taferelen af.

Er breek hongersnood uit. Kinderen sterven van honger en dorst. Sommige mensen worden zo tot wanhoop gedreven dat ze hun eigen kinderen koken en opeten. Er breken ziekten uit. Vrouwen en meisjes worden verkracht door de soldaten. Kinderen worden vermoord voor de ogen van hun ouders en ouders voor de ogen van hun kinderen.

Het boek Klaagliederen is geschreven naar aanleiding van deze gebeurtenissen. Klaagliederen is een verzameling van 5 liederen over het lijden, de pijn en het verdriet. Ieder jaar wordt in de synagoge het boek gelezen op de 9e van de maand Ab. Een dag van vasten en rouw over de verwoesting van de tempel in 586 v Chr en 70 na Chr.

Actualiteit van Klaagliederen

Helaas moeten we constateren dat Klaagliederen een uiterst actueel boek is. Door de hele geschiedenis heen spelen zich dezelfde taferelen af. Als we denken aan de 2de wereldoorlog: bombardementen op Rotterdam en Dresden, de concentratiekampen, moord op 6 miljoen Joden. Als we denken aan recente oorlogen op de Balken, de val van Srebrenica waar 8000 mannen worden vermoord. De burgeroorlog in Somalië die nu gaande is, waar dagelijks dorpen worden uitgemoord, vrouwen verkracht, waar hongersnood is.

Geloofsworsteling

In de hoofdstukken 1, 2, 4 en 5 van Klaagliederen wordt het lijden van de bevolking van Jeruzalem uitvoerig beschreven. Het lijden van de gemeenschap.

In hoofdstuk 3 vinden we echter een andere toon en een ander perspectief. Het lijden van de gemeenschap maakt plaats voor het lijden van het individu. Iemand die zichzelf introduceert in vers 1 met: “Ik ben de mens die te lijden heeft…”.

In hoofstuk 3 gaat het ook niet zozeer om het lijden zelf, hoe vreselijk ook, maar om de geestelijke dimensie van het lijden. Om de vraag waar is God in dit alles. Het gaat om de worsteling van de gelovige mens met het lijden voor het aangezicht van God.

Want de persoon die in hoofdstuk 3 aan het woord is, dat is een godvrezende Israëliet. Het woord dat hier voor mens wordt gebruikt is, duidt op iemand die dicht bij God leeft. Het is de mens van Psalm 1 die niet staat op de weg van de zondaars, niet zit in de kring van spotters maar wiens vreugde uitgaat naar het woord van God. Het is de mens van Psalm 119 die hartstochtelijk leeft met God en met zijn woord. Zo’n mens is hier aan het woord.

Het is de worsteling van de gelovige met het lijden. Daarbij gaat het niet alleen over pijn en verdriet en gebrokenheid. Het gaat ook, of misschien wel juist over zonde, als diepste oorzaak van alle lijden en gebrokenheid. Want ook de val van Jeruzalem en de afschuwelijke tragedie die zich afspeelt is het gevolg van de zonde en de ongehoorzaamheid van het volk Israël. Door het hele boek Klaagliederen heen komt dat steeds weer terug. Ook in de geloofsworsteling van deze gelovige: 3:39-42.

Dat roept vragen bij ons op. Is lijden altijd het gevolg van zonde? Brengt God lijden over mensen, over onschuldige kinderen, over gelovigen? Dat zijn ingewikkelde vragen waarover we hier niet het laatste woord kunnen spreken. Toch nodigt Klaagliederen ons uit om daar iets over te zeggen.

In de eerste plaats is duidelijk dat je lang niet altijd een direct verband kunt leggen tussen zonde en lijden. Opvallend is dat in Klaagliederen veel over het lijden van kleine kinderen wordt gesproken, die door soldaten om het leven worden gebracht, die sterven van honger en dorst, die door hun eigen moeders worden opgegeten. Er wordt gesproken over meisjes en vrouwen die worden verkracht door soldaten. En wat te denken van de gelovige die hier zelf aan het woord is, die dicht bij God en zijn woord leeft.

Je kunt dus niet volhouden dat er op het persoonlijke vlak altijd een relatie is tussen zonde en lijden. Daarvoor is die relatie veel te complex. Heel onze werkelijkheid is in al haar facetten aangevreten door de gevolgen van de zonde. Het is veel te simpel om zonder meer uit te gaan van directe oorzaak en gevolg in ons persoonlijk leven.

Aan de andere kant realiseert de persoon, die hier aan het woord is, zich dat niemand zonder zonden is. Juist de confrontatie met lijden dient ons te brengen tot zelfonderzoek (zie vers 40). Ook Jakobus brengt ziekte en ziekenzalving in verband met het belijden van zonden.

De tweede vraag die we ons stellen is misschien nog wel ingewikkelder. Wat heeft God met het lijden in deze wereld te maken? Er zijn mensen die geloven dat er geen God kan bestaan omdat er zoveel lijden in de wereld is. Laat staan een God die liefde is. Want een God die liefde is laat geen kinderen sterven van de honger en geen meisjes verkrachten door soldaten. Hoe kan een almachtige God het lijden laten voortbestaan. Eerlijk gezegd weet ik dat ook niet. Het lijden is een groot mysterie waar geen simpele oplossingen voor zijn.

Veel christenen denken dat alle lijden in de wereld afkomstig is van de duivel. Van God kan geen lijden komen want God is goed en geeft alleen het goede.

De mens die hier aan het woord is komt tot een totaal andere conclusie. Ook in het lijden ziet hij en ontmoet hij God. Het is niet het leger van Babel dat de oorzaak is van het lijden dat over Jeruzalem is gekomen. Het is de hand van God die hij ontmoet in het lijden. Vers 1 t/m 16 is één lange klacht over het lijden dat God over hem brengt. Vers 38 zegt dat God iets te doen heeft met zowel goed als kwaad.

Dat is ook precies de geloofsworsteling waar het hier om gaat. Kon hij maar geloven dat God niet bestond en dat lijden en gebrokenheid het gevolg zijn van blind toeval, van een evolutieproces. Kon hij maar geloven dat alle kwaad van de duivel komt en niets met God te maken heeft. Dan zou die worsteling een heel ander karakter hebben.

Maar juist omdat hij geloofd dat God wel bestaat en dat het lijden niet buiten God om gaat en omdat hij leeft in een verbondsrelatie met deze God, maakt de geloofsworsteling bijna ondraaglijk.

Dat is niet alleen de worsteling voor de gelovigen onder het Oude Testament. Paulus schrijft echter in Romeinen 8 dat de hele schepping zucht en lijdt omdat zij door God is onderworpen aan vruchteloosheid. Daarbij zegt hij nadrukkelijk dat ook gelovigen daar deel aan hebben en dat wij samen met de schepping uitzien naar verlossing uit de gebrokenheid.

Geloofsvertrouwen

Toch heeft het lijden niet het laatste woord. Juist door je nood te klagen en je lijden te beleven voor het aangezicht van God ontstaat er nieuwe hoop. Vers 21 zegt: Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast.

Dan is daar ineens een totaal andere sfeer, een hele andere taal, de taal van de hoop. Vers 22-33 ademt hoop en vertrouwen op God. Zelfs in de diepste nood van ons leven (kunnen we dieper gaan dan hier het geval is?) mogen we zeggen: toch geef ik de hoop niet op…

Want God is genadig. Ik mag mij, juist in het lijden en de gebrokenheid van mijn bestaan, geborgen weten in zijn liefde en ontferming. Want de Heer is goed voor wie Hem zoeken, wie alles van Hem verwachten, wie geduldig op Hem hopen (vers 25, 26).

Op de bodem van zijn hart weet de gelovige dat God het goede verlangt voor de mensen (vers 33). Dat is het diepste van zijn wezen. Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen. Het is niet naar zijn hart. Naar zijn aard is Gods hart vol vriendelijkheid en goedheid. Het gaat Hem aan het hart als Hij de dingen recht moet zetten door het oordeel.

Deze taal van de hoop staat niet los van de taal van het lijden in het eerste gedeelte. Maar juist het uitspreken van de nood en het lijden en de zonde voor het aangezicht van God brengt tot het inzicht van vers 24: Ik besef: mijn enige bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.

Wij hebben de taal van het klaaglied, in het boek Klaagliederen en in de Psalmen, nodig om door ons lijden heen en via de taal van de klacht terug te kruipen naar onze hoop op God. Wij hebben in de kerk niet alleen een theologie van de gloria nodig maar ook een theologie van de hoop, niet alleen aanbiddingsliederen maar ook klaagliederen.

De Man van smarten

We kunnen deze preek niet beëindigen zonder te wijzen op die andere Man die ellende heeft gezien. De Man van smarten van Jesaja 53:

Hij werd veracht, door mensen gemeden,
hij was een man die het lijden kende
en met ziekte vertrouwd was,
een man die zijn gelaat voor ons verborg,
veracht, door ons verguisd en geminacht.

Maar hij was het die onze ziekten droeg,
die ons lijden op zich nam.
Wij echter zagen hem als een verstoteling,
door God geslagen en vernederd.
Om onze zonden werd hij doorboord,
om onze wandaden gebroken.
Voor ons welzijn werd hij getuchtigd,
zijn striemen brachten ons genezing.

In deze Man van smarten herkennen wij de Zoon van God, Jezus Christus. Die mens werd, die de pijn en de gebrokenheid, de schuld en de zonde heeft gedragen. Door Jezus weten we dat het lijden van deze wereld niet buiten God om gaat. Maar dat Hij zich ten diepste met ons lijden heeft verbonden.

Door Jezus hebben wij hoop op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Waar de hele schepping met reikhalzend verlangen naar uitziet. In Jezus komen lijden en hoop samen.

Afsluiting

Soms kan je leven uitzichtloos lijken. Lichtloos duister (vers 2). Je voelt je verstoken van vrede en geluk (17). De glans verdwenen, de hoop op God vervlogen (18). Weet dan één ding: God is niet afwezig in het lijden. Voor zijn aangezicht mogen wij onze nood uitspreken. Om daardoor weet moed te vatten en met de dichter van Klaagliederen te zeggen:

Toch geef ik de hoop niet op!